Sapeli

Andere namen: Sapeli Mahoni (Nederland) lifuti, undianuno (Angola), assié, sapelli bonamba (Kameroen)

Groeigebied: West- en Centraal Afrika.

Boombeschrijving:Hoogte 40-50(-60) m, met een diameter van 0,7-1,2(-1,5) m afhankelijk van de ouderdom en de hoogte. De 15-20(-30) m lange takvrije stam is recht en cilindrisch. Aan de voet van de stam zijn vaak kleine wortelaanzettingen aanwezig.
Houtbeschrijving:Kernhout rozerood, later tot diep roodbruin verkleurend. Het duidelijk te onderscheiden spint, dat maximaal 60-80 mm breed kan zijn, heeft een grauwroze of geelroze kleur. Het kernhout heeft vaak een mooie goudachtige glans zoals ook bij de Swietenia mahoniesoorten voorkomt. De meestal in sapeli voorkomende kruisdraad veroorzaakt op het kwartierse vlak de voor deze Afrikaanse houtsoort, uit de mahoniefamilie, zo kenmerkende streeptekening van afwisselende donkere en lichte banden. De afstand tussen deze banden is vaak zeer regelmatig (hierdoor onderscheidt sapeli zich van sipo) en varieert van heel smal (dikwijls bij Nigeria sapeli) tot vrij breed (bijvoorbeeld bij aboudikro). Een ander kenmerk waarin sapeli zich van andere mahonies onderscheidt, is de cederachtige geur. Door afwijkingen in de draadrichting ontstaan soms fraaie figuraties die bekend zijn onder namen als gemoireerd, geappeld, drapé en dergelijke.
Drogen:Matig snel. Sapeli heeft neiging tot trekken en scheuren. Het moet dan ook langzaam met zorg bij niet te hoge temperaturen worden gedroogd. Sapeli neemt in geveltimmerwerk een houtvochtgehalte aan van 15-19%.
Toepassingen:Sapeli wordt zowel massief als in de vorm van fineer en triplex toegepast voor meubelen, binnenbetimmeringen, piano- en orgelbouw en andere muziekinstrumenten, huiden en betimmeringen voor jachten, traptreden en trapbomen (bij voorkeur kwartiers gezaagd) en ook voor parketvloeren, draai- en beeldhouwwerk.